Wat is de impact van sociale media op kinderen en jongeren?
Deze vraag staat steeds vaker centraal in het publieke debat, gevoed door zorgen over mogelijke negatieve effecten van sociale media. In het licht van de recente discussies bundelt dit rapport inzichten uit recent Vlaams mediaonderzoek over sociale media en het sociaal-emotioneel welzijn (2022-2025) van kinderen en jongeren. Deze deskresearch leverde uiteindelijk 76 relevante publicaties op.
De analyse in dit rapport is opgebouwd rond drie hoofdthema’s, elk met bijbehorende subthema’s:
Het Vlaamse mediaonderzoek toont aan dat de effecten van sociale media op het sociaal-emotioneel welzijn van jongeren moeilijk eenduidig vast te stellen zijn. De huidige kennis wijst op een genuanceerd beeld: de impact kan zowel positief als negatief zijn, of in sommige gevallen helemaal afwezig. Deze uiteenlopende effecten tonen aan dat het effect sterk afhankelijk is van contextuele en individuele factoren.
Via de banner bovenaan kan je het hele media.dossier downloaden.
Binnen het Vlaams mediaonderzoek naar de effecten van blootstelling aan socialemedia-inhouden op het sociaal-emotioneel welzijn van kinderen en jongeren kunnen we nog vier subcategorieën onderscheiden. We vonden studies over (a) de invloed van geïdealiseerde voorstellingen op sociale media, (b) de invloed van socialemedia-inhoud over gezondheid en levensstijl, (c) de invloed van politieke inhoud op sociale media en (d) de impact van advertenties op sociale media.
In de literatuur over representaties van het leven op sociale media wordt vaak verwezen naar de positivity bias: de tendens om enkel positieve, succesvolle of aantrekkelijke aspecten van het leven te delen. Dergelijke gekleurde representaties zetten sommige adolescenten aan tot sociale vergelijking, zeker wanneer zij geconfronteerd worden met vrienden of influencers die uitsluitend positieve content posten. Influencers die hun bezittingen en exclusieve levensstijl tonen, kunnen bij bepaalde jongeren ook materialistische waarden veroorzaken.
Tegelijk wordt in studies over dit onderwerp gewezen op het feit dat er ook tegenreactie komt op het dominante schoonheidsideaal op sociale media, vanuit de zogenoemde Body Positivity-beweging (BoPo). Uit onderzoek van het Media Psychology Lab blijkt dat jongeren dagelijks worden blootgesteld aan zowel idealiserende beelden als BoPo-inhoud. Beide typen content zetten jongeren ertoe aan kritischer naar hun eigen lichaam te kijken (verhoogde body surveillance). Wanneer jongeren op een bepaalde dag uitzonderlijk veel BoPo-content zien, leidt dit (op korte termijn) tot meer tevredenheid over hun eigen lichaam. Bovendien vertonen jongeren die vaker BoPo-posts bekijken of positieve reacties plaatsen meer positief gedrag tegenover het uiterlijk van anderen.
Onderzoek van de KU Leuven vestigt wel de aandacht op het gebrek aan diversiteit in socialemedia-inhouden. Jongeren met zichtbare verschillen (zoals littekens, vlekjes of een aandoening die hun uiterlijk beïnvloedt) zien op sociale media weinig content waarin dergelijke verschillen worden weergegeven. Deze content kan jongeren helpen zich minder te verbergen en hun zichtbare verschillen beter te accepteren. Tegelijkertijd kunnen posts van influencers met zichtbare verschillen ook gevoelens van onzekerheid oproepen.
De overwegend positieve inhoud op sociale media heeft bovendien bredere effecten op welzijn. Jongeren die frequent overdreven positieve berichten zien, ontwikkelen sneller perfectionistische trekken en ervaren vaker het gevoel tekort te schieten in vergelijking met anderen. De manier waarop jongeren zichzelf vergelijken met anderen op sociale media blijkt daarbij cruciaal. Opwaartse vergelijking (met personen die als ‘beter’ worden ervaren) leidt bij oudere adolescenten tot negatieve gevolgen voor het vertrouwen in eigen keuzes op lange termijn. Deze twijfel kan mogelijk verklaard worden door een druk die ontstaat door zichzelf te vergelijken met ‘betere’ anderen. Bij jongere adolescenten daarentegen, kan neerwaartse vergelijking (met personen die als ‘minder’ worden gezien) negatieve gevolgen hebben voor het vertrouwen in de eigen keuzes. Jongere adolescenten worden minder zelfzeker wanneer ze kijken naar ‘mindere’ anderen, omdat ze misschien bang zijn om in dezelfde situatie terecht te komen.
Ook vrienden spelen een belangrijke rol in het versterken van deze socialemedia-idealen. Gesprekken binnen de vriendengroep kunnen het belang van uiterlijk bevestigen en benadrukken hoe sociale media kunnen bijdragen aan het nastreven van dat ideaalbeeld.
Hieronder vind je een overzicht van de onderzoeksfiches die werden opgesteld van Vlaamse mediastudies over de invloed van blootstelling aan geïdealiseerde content op het zelfbeeld en welbevinden van jongeren.
Adolescenten komen op sociale media regelmatig in contact met boodschappen over gezonde voeding en lichamelijke gezondheid. Mediaonderzoek toont aan dat blootstelling aan gezondheidsgerelateerde content op sociale media een effect heeft op attitudes en gedragsintenties van jongeren over het onderwerp, zowel in positieve als in negatieve zin.
Een van de studies toont aan dat blootstelling aan berichten over voeding een meetbare invloed heeft op het eetgedrag van jongeren. Berichten over ongezonde voeding leiden tot een verhoogde consumptie van dergelijke producten. Omgekeerd stimuleren berichten over gezonde voeding jongeren om gezondere keuzes te maken. Dit positieve effect wordt deels verklaard door een toename in kennis over voeding, die voortvloeit uit educatieve of inspirerende content op sociale media. De onderzoekers bevelen beleidsmakers aan om de mogelijkheden van sociale media voor sensibilisering en ‘nudging’ beter te benutten om mensen aan te zetten tot een gezondere eet- en leefstijl.
De berichten op sociale media over een gezonde leefstijl worden vaak verspreid door zogenoemde fitfluencers, influencers die zich richten op lichamelijke gezondheid en fitness. De effecten hiervan zijn echter beperkt en genuanceerd: jongeren voelen zich wel aangemoedigd door fitfluencers, maar het type bericht heeft geen effect op hun lichaamsbeeld of de intentie om te sporten.
Er bestaat ook vrij veel onderzoek over de effecten van blootstelling aan alcoholgerelateerde socialemedia-inhoud. Algemeen blijkt dat deze content een invloed heeft op de attitudes en gedragsintenties van jongeren. Het effect van deze content hangt sterk af van het type boodschap. Zo blijkt uit een studie van het Media Psychology Lab dat berichten waarin alcohol centraal staat een groter effect hebben dan berichten waarin alcohol slechts zijdelings aan bod komt, bijvoorbeeld in sociale contexten met vrienden. Daarnaast speelt de factor tijd een rol: blootstelling aan alcoholgerelateerde posts heeft sterkere effecten tijdens specifieke momenten, zoals evenementen of weekends.
Jongeren komen via sociale media regelmatig in aanraking met politieke informatie. Sommigen gaan hier actief naar op zoek en volgen politieke influencers als informatiebron. Een van de onderzoeken wijst uit dat vooral jongens en jongeren die al politiek betrokken zijn, deze influencers actief raadplegen.
Een studie van de KU Leuven wijst op een verband tussen sociale media en politiek cynisme bij jongeren. Jongeren die sociale media gebruiken om zich te informeren over politiek, blijken over het algemeen minder cynisch te staan tegenover de politiek, al zien we tegelijk dat blootstelling aan extremistische politieke content juist kan leiden tot een toename in politiek cynisme.
Sociale media vormen een belangrijk platform voor adverteerders om producten en merken te promoten. Een centrale vraag is in hoeverre kinderen en adolescenten deze commerciële boodschappen herkennen. Onderzoek van de Universiteit Gent toont aan dat jonge kinderen niet in staat zijn om influencermarketing op platformen zoals YouTube als reclame te identificeren.
Voor jonge adolescenten geldt dat vrienden een belangrijke rol spelen in de overtuigingsprocessen. Wanneer vrienden online laten blijken dat ze een merk interessant vinden, leidt dit tot een positievere houding ten opzichte van dat merk, vooral bij onbekende en symbolische merken. Hoewel jongeren zich doorgaans bewust zijn van de commerciële intenties achter dergelijke boodschappen, heeft dit geen invloed op hun houding ten opzichte van het merk.
De voorbije jaren hebben Vlaamse mediaonderzoekers redelijk veel aandacht besteed aan zelfregulering van digitaal mediagebruik. Zo verschenen er verschillende studies over hoe kinderen en jongeren digitale media gebruiken en welke maatregelen worden genomen om dat gebruik te beperken of te sturen. Deze studies focussen meer bepaald op (a) (de effecten van) digitale disconnectie, (b) regels en gebruiken binnen het gezin en (c) de bescherming van digitale privacy.
Digitale disconnectie verwijst naar strategieën en maatregelen die individuen toepassen om hun digitaal mediagebruik te beperken. Meisjes, oudere adolescenten en jongeren met depressieve gevoelens gebruiken sociale media vaker, maar proberen dit gebruik ook te reguleren door hulpmiddelen in te zetten.
Uit een recente systematische reviewen meta-analyse blijkt echter dat pauzes van sociale media, ongeacht de duur, geen significant effect hebben op positieve of negatieve emoties, noch op het algemene gevoel van levensvoldoening. Deze bevindingen benadrukken de nood aan verder onderzoek naar welke vormen van digitale disconnectie daadwerkelijk effectief zijn.
Experts wijzen daarnaast op een zogenoemde digitale disconnectie-beleidsparadox: er is nood aan een collectieve aanpak op macro- en mesoniveau, maar maatregelen situeren zich vaak op individueel niveau. Hierdoor worden gebruikers zelf verantwoordelijk gesteld voor hun digitale disconnectie. Bijzondere aandacht is bovendien nodig voor kwetsbare jongeren en jongeren met problemen rond zelfregulatie, voor wie disconnectie mogelijk minder haalbaar of doeltreffend is.
Wanneer mobiele technologieën interpersoonlijke relaties verstoren, spreekt men van ‘technoference’. Het gebruik van mobiele apparaten binnen een familie kan zowel door ouders als kinderen als storend worden ervaren. Technoference kan de oorzaak zijn van conflicten tussen ouders en hun kinderen, wat het welzijn van beide partijen negatief kan beïnvloeden. Momenteel weten we dat technoference voor beide groepen negatieve effecten heeft, maar meer onderzoek is nodig om de langetermijneffecten te begrijpen en om na te gaan of sommige kinderen gevoeliger zijn dan anderen.
Tegelijkertijd kunnen ouders ook een beschermende rol opnemen bij het socialemediagebruik van hun kind. Actieve ouder-kindbemiddeling (parental mediation) draagt bij aan sociale mediawijsheid, waardoor kinderen kritischer omgaan met de content die ze op sociale media tegenkomen en beter kunnen omgaan met negatieve gevoelens die voortkomen uit de positivity bias. In het bijzonder blijken vaders een betekenisvolle rol te spelen: kinderen die een sterke vertrouwensband hebben met hun vader zijn minder vatbaar voor de negatieve gevolgen van sociale vergelijking op sociale media.
Privacy en gegevensbescherming vormen een belangrijk aspect van sociale media. Bij jongeren blijken drie factoren bepalend voor hun attitude tegenover gegevensbescherming: hun privacybezorgdheid, hun mate van privacygeletterdheid en hun gevoel van controle over persoonlijke gegevens. Onderzoek bij tweens (kinderen tussen 8 en 12 jaar) op TikTok toont daarnaast aan dat zij vaak beter geïnformeerd zijn over de privacyrisico’s dan hun ouders inschatten.
Ook het fenomeen van de kidfluencers brengt verschillende privacy-uitdagingen met zich mee. In de meeste gevallen worden deze profielen door moeders beheerd. Zij balanceren tussen enerzijds het creëren van authentieke en aantrekkelijke content en anderzijds het beschermen van de privacy van hun kind. Veel ouders maken zich zorgen over de mogelijke gevolgen van hun online gedrag voor het welzijn en de ontwikkeling van hun kind op lange termijn.
De derde hoofdcategorie binnen recente Vlaamse wetenschappelijke literatuur omvat studies over de effecten van het socialemediagedrag en breder mediagebruik van kinderen en jongeren op hun digitale welzijn. Socialemediaplatformen hebben elk hun eigen kenmerken die het gebruik beïnvloeden. Zo sturen specifieke functies (bijvoorbeeld streaks op Snapchat) het gedrag van jongeren in bepaalde richtingen. Het ontwerp van deze platformen speelt dus een belangrijke rol in hoe kinderen en adolescenten deze platformen gebruiken. Daarom onderzoeken wetenschappers niet alleen het gebruik zelf, maar ook de mogelijke effecten en risico’s die gepaard gaan met dit gedrag.
In dit deel behandelen we vier thema’s: (a) platformspecifiek mediagedrag, (b) gevolgen van smartphonegebruik en schermtijd, (c) sexting en seksuele reputatie en (d) de rol van sociale media voor minderheidsgroepen.
Hoe kinderen en jongeren media gebruiken, hangt samen met de kenmerken van het platform. Sommige studies beperken zich daarom tot één platform met bijbehorende karakteristieken en bestuderen hoe die kenmerken samenhangen met één (of meerdere) indicatoren van sociaal-emotioneel welzijn.
Snapchat is een populair platform onder kinderen en adolescenten. De Snap Map-functie maakt het mogelijk om de locatie van anderen te volgen. Vooral jongeren die veel belang hechten aan populariteit gebruiken deze functie vaker. Dit kan leiden tot Fear of Missing out (FoMo), wat op zijn beurt gevoelens van eenzaamheid en depressie kan versterken. Een andere functie, de Snapchat streak, lijkt minder zorgwekkend. Hoewel er verbanden zijn gevonden tussen streaks, problematisch smartphonegebruik, zelfcontrole en FoMo, beschouwen de onderzoekers streaks doorgaans als een normale manier van communiceren. Wel geven jongeren aan dat streaks en andere platformfuncties kunnen bijdragen aan digitale stress. Sinds 2023 beschikt Snapchat ook over een AI-chatbot, My AI. Jongere tieners gebruiken My AI meer dan oudere tieners en voelen zich er ook positiever door.
Een ander platform dat in het onderzoek aan bod kwam, is BeReal. BeReal moedigt haar gebruikers aan om iedere dag een authentieke foto te delen. Toch blijkt dat authentiek posten op BeReal niet noodzakelijk leidt tot meer zelfvertrouwen of een duidelijker zelfbeeld. Het gedrag van vrienden speelt daarbij een belangrijke rol: opwaartse vergelijkingen zorgen voor een negatiever zelfbeeld, terwijl vergelijkingen met gelijken juist het zelfvertrouwen versterken. Tegelijkertijd toont onderzoek van het Media Psychology Lab aan dat preadolescenten die zich authentiek presenteren op sociale media zich beter voelen over hun uiterlijk. Preadolescenten die zich minder authentiek voordoen, voelen zich daarentegen slechter. Als authentieke berichten veel reacties krijgen, wordt het positieve effect nog versterkt. Ander onderzoek van het Media Psychology Lab wijst er echter op dat jongeren die hun zelfvertrouwen sterk laten afhangen van feedback zoals likes en reacties, vaker last hebben van depressieve gevoelens.
Zowel Instagram als Snapchat maken het mogelijk om private verhalen te delen met een beperkte groep mensen. Jongeren geven aan dat ze een goed idee hebben wie welen niet tot die selectie behoort. Erbij horen zorgt voor een positief gevoel, terwijl buitensluiting juist tot onzekerheid leidt. Risicovol gedrag, zoals alcoholgebruik, wordt vaker gedeeld in gesloten verhalen. Jongeren accepteren dit gedrag wanneer het binnen hun eigen groep voorkomt, maar keuren het af als het afkomstig is van andere groepen.
Naast platformspecifieke kenmerken richten andere studies zich op bredere gebruikspatronen. Ook hier geldt dat de uitkomsten op vlak van sociaal-emotioneel welzijn afhankelijk zijn van wat kinderen en jongeren online doen, de context waarin ze online zijn en persoonlijke achtergrondfactoren.
Zo vinden onderzoekers een verschil tussen berichten sturen, posten en browsen. Berichten sturen en zelf iets posten gaan vaker gepaard met een beter humeur en een groter geluksgevoel, terwijl passief browsen eerder leidt tot gevoelens van eenzaamheid. Het delen van goed nieuws op sociale media heeft doorgaans bovendien slechts een kortstondig positief effect op het welzijn. Daarnaast gebruiken jongens en meisjes sociale media op verschillende manieren. Jongens delen meer persoonlijke informatie, wat hun vriendschappen versterkt. Bij meisjes is dit minder het geval en wanneer zij sociale media vooral gebruiken om te scrollen of spelletjes te spelen, delen ze zelfs minder met vrienden. Ook persoonlijkheid speelt een rol: jongeren met een negatieve aanleg kunnen minder goed omgaan met negatieve content, terwijl jongeren met een positieve aanleg beter reageren op zowel positieve als negatieve content. Jongeren die blijven piekeren over negatieve content lopen bovendien een verhoogd risico op depressieve symptomen.
De vaak gebruikte tegenstelling tussen ‘actief’ en ‘passief’ gebruik volstaat niet om de complexiteit van socialemediagebruik te vatten. We mogen sociale media niet zien als een monoliet, maar als een veelzijdige omgeving die plaats biedt voor een variatie aan ervaringen. Studies die enkel schermtijd analyseren zijn te beperkt en moeten daarom ook rekening houden met waarde en de kwaliteit van de online ervaringen, bijvoorbeeld of de tijd op sociale media ook bepaalde behoeftes zoals autonomie, competentie en verbondenheid bevredigt. Hoewel sociale media kunnen bijdragen aan deze behoeften, hebben offline ervaringen over het algemeen een grotere invloed op het algemene welzijn.
Tussen 2022 en midden 2025 verschenen ook enkele Vlaamse mediaonderzoeken over smartphonegebruik en schermtijd. Hoewel deze onderwerpen verder reiken dan sociale media, zijn ze er nauw mee verbonden. De aandacht voor smartphones nam bovendien toe door het smartphoneverbod op scholen, al is de impact van zulke maatregelen op dit moment nog onbekend.
Tot nu toe is geweten dat problematisch smartphonegebruik samenhangt met psychische klachten zoals depressie en angst, een verminderde slaapkwaliteit en lagere schoolprestaties. Zowel ouders als jongeren zelf vermoeden dat nachtelijk smartphone gebruik negatieve effecten heeft op schoolresultaten. Die perceptie blijkt terecht: cijfers bevestigen dat vermoeidheid en slaaptekort een belangrijke verklaring vormen voor mindere schoolresultaten. Actieve ouderlijke begeleiding kan helpen voorkomen dat kinderen hun smartphone ‘s nachts gebruiken.
Toch ervaren jongeren hun smartphone niet uitsluitend als negatief. Ze noemen ook voordelen van het gebruik. Om deze positieve en negatieve effecten goed te begrijpen, is het volgens onderzoekers belangrijk om verder te kijken dan enkel naar schermtijd.
Het derde subthema behandelt sexting en de seksuele reputatie van jongeren. Een van de risico’s gerelateerd aan sociale media zijn gedragsrisico’s, waarbij kinderen en jongeren getuige zijn van, deelnemen aan, of slachtoffer worden van problematisch of schadelijk gedrag tussen leeftijdsgenoten. Een voorbeeld hiervan is sexting, wat verwijst naar het delen van seksueel expliciete of suggestieve beelden via digitale technologie, met of zonder toestemming.
Grootschalig internationaal onderzoek toont aan dat personen met een laag empathisch vermogen of een grotere gevoelloosheid sneller geneigd zijn om zonder toestemming dergelijke beelden te verspreiden. Jongere personen en vrouwen blijken daarbij vaker betrokken te zijn bij niet-consensuele sexting, wat eerdere onderzoeksbevindingen tegenspreekt.
Jongeren delen op sociale media allerlei aspecten van hun leven, waaronder persoonlijke en intieme relaties. Daarbij moeten ze voortdurend afwegen wat sociaal aanvaardbaar is. Hun digitale reputatie staat immers op het spel: alles wat online verschijnt, is zichtbaar voor een breed publiek. Deze online zichtbaarheid gaat hand in hand met kwetsbaarheid. Vooral meisjes ervaren druk om seksueel getinte beelden te delen op sociale media.
Tot slot verschenen de voorbije jaren ook enkele publicaties van Vlaams mediaonderzoek over de ondersteunende rol van sociale media voor ondergerepresenteerde groepen en jongeren die discriminatie ervaren. De term minderheidsgroep wordt hier breed geïnterpreteerd en omvat alle groepen kinderen en jongeren die deel uitmaken van een minderheid en barrières ervaren in het dagelijkse leven.
Jongeren die offline discriminatie ervaren, zoeken vaker hun toevlucht tot online omgevingen om vriendschappen aan te knopen en sociale vaardigheden te ontwikkelen. Hoewel deze digitale netwerken steun kunnen bieden, brengt meer tijd online ook bepaalde risico’s met zich mee.
Vooral jongeren uit seksuele minderheden die geconfronteerd worden met stigma vinden vaak steun in online gemeenschappen op sociale media. Deze betrokkenheid kan het welzijn bevorderen, maar kan tegelijkertijd gevoelens van anders-zijn of stigma juist versterken. Ook jongeren uit etnisch-religieuze minderheidsgroepen gebruiken sociale media op een strategische manier: ze versterken er vriendschappen, tonen hun sociale status, gaan in tegen heersende stereotypen en behouden daarbij controle over hun privacy.
Onderzoekers van de KU Leuven vestigen daarnaast extra aandacht op een klinische populatie, namelijk jongeren en kinderen gediagnosticeerd met het autismespectrumstoornis (ASS). Zij hebben een hogere kans op problematisch smartphonegebruik en gebruiken sociale media minder vaak dan mensen zonder de diagnose.
De geselecteerde studies maken duidelijk dat sociale media een complex en veelzijdig onderwerp vormen met verschillende dimensies, dat vanuit uiteenlopende perspectieven en met diverse onderzoeksmethoden kan worden benaderd. Binnen deze complexiteit komen wel enkele terugkerende bevindingen naar voren die we verder toelichten.
Onderzoek laat zien dat sociale media zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op kinderen en jongeren. Veel onderzoeken rapporteren gemengde resultaten, wat betekent dat de onderzoekers zowel voor- en nadelen vonden van (een aspect) van sociale media. Wanneer er effecten werden gevonden, bleken deze vaak klein. Regelmatig werden ook geen significante resultaten gerapporteerd of spraken bevindingen eerdere onderzoeksresultaten tegen. Sociale media vormen dus een complex onderwerp, waarbij de richting van het verband tussen sociale media en sociaal-emotioneel welzijn van verschillende factoren afhankelijk is.
De gemengde resultaten benadrukken de nood aan verder onderzoek. Veel onderzoekers pleiten voor meer diepgaand onderzoek naar persoonsgebonden verschillen, omdat de effecten van sociale media immers sterk kunnen variëren per individu. De mate waarin jongeren beïnvloed worden, hangt af van de manier waarop sociale media worden gebruikt, de hoeveelheid, de balans met offline activiteiten, persoonlijke eigenschappen en de sociaal-culturele context.
Het Swiss Cheese Model biedt een kader om te begrijpen hoe sociale media effecten hebben op het welzijn van jongeren. Het model bevat drie lagen: sociale signalen binnen het platform, de sociale omgeving en persoonlijke gevoeligheid. Deze lagen kunnen bescherming bieden tegen negatieve effecten van sociale media, maar kunnen ook kwetsbaarheid creëren. Wanneer één of meerdere lagen verzwakken, neemt de kans op negatieve gevolgen toe.
Het merendeel van de Vlaamse publicaties richt zich op adolescenten (tussen 13 en 18 jaar). Weinig studies hebben betrekking op peuters, kleuters en kinderen (onder 13 jaar). Kinderen onder 13 jaar bevinden zich in een andere ontwikkelingsfase en hebben andere fysieke en mentale gevoeligheden dan adolescenten. Het is om die redenen dat onderzoek en beleidsaanbevelingen rekening moeten houden met leeftijd.
Tijd is een cruciaal, maar vaak onderbelicht element in mediaonderzoek. De invloed van tijd kan worden begrepen aan de hand van de volgende vier factoren:
De meeste studies in Vlaanderen maakten gebruik van enquêtes om hun steekproef te bevragen. Deze waren eenmalig (cross-sectioneel onderzoek) of bestonden uit meerdere meetmomenten (longitudinaal onderzoek). Een groot deel van de geselecteerde publicaties was longitudinaal van aard en onderzocht de effecten van sociale media over een langere periode, verspreid over meerdere meetmomenten. Longitudinaal onderzoek maakt het mogelijk om conclusies te maken over langetermijneffecten van sociale media door te analyseren hoe individuen in de loop van de tijd veranderen, in vergelijking met zichzelf en met anderen. Bij cross-sectioneel onderzoek daarentegen is het niet mogelijk om uitspraken te doen over causaliteit of de volgorde waarin factoren zich voordoen. Er is daarom nood aan meer longitudinaal en experimenteel onderzoek.
De meeste studies baseren zich op gedragspsychologische verklaringsmodellen binnen een positivistisch paradigma. Dit paradigma richt zich op het meten en verklaren van sociale media-effecten door middel van kwantitatieve methoden, zoals enquêtes, experimenten en inhoudsanalyse. Het staat in contrast met een kritisch, postpositivistisch paradigma, dat vooral bezorgd is over machtsverhoudingen, maatschappelijke ongelijkheid en de bredere maatschappelijke rol van sociale media. Dit kritische perspectief leent zich doorgaans beter voor kwalitatieve onderzoeksmethoden, zoals diepte-interviews, focusgroepen en discoursanalyses. Kwalitatief onderzoek focust meer op de ervaringen en percepties van kinderen en jongeren in verband met (sociale) media, waardoor het ook waardevolle inzichten biedt voor onderzoekers.
Sociale media zijn voortdurend in beweging, wat het moeilijk maakt voor onderzoekers om sluitende conclusies te trekken. Er ontstaan nieuwe platformen en bestaande platformen voegen regelmatig vaak nieuwe functies toe. Elk platform heeft een eigen design en specifieke kenmerken, waardoor het gedrag van de gebruikers ook afhankelijk is van het platform. Sommige platformen delen kenmerken, wat een reden is voor sommige onderzoekers om specifieke functies te onderzoeken in plaats van platformen. Andere onderzoekers geven wel aan dat platformspecifiek onderzoek nuttig is, omdat de functie en het platform vaak samenhangen en adolescenten een functie van een platform gebruiken met een specifieke reden.
De variatie in operationalisering van sociale media toont aan dat er nog onduidelijkheid is in de manier waarop onderzoekers sociale media zouden moeten bestuderen, wat ook gevolgen heeft voor de conclusies die uit onderzoek kunnen worden getrokken.
Uit de geselecteerde publicaties blijkt dat onderzoekers sociaal-emotioneel welzijn op uiteenlopende manieren definiëren en meten. Het begrip omvat talrijke dimensies, die elk de nadruk leggen op een ander aspect van welzijn. Dit gaat van cognitieve en affectieve reacties tot gedragsmatige antwoorden op socialemedia-inhoud en op het gebruik van sociale en digitale media.
In de geselecteerde Vlaamse publicaties valt op dat er vaak beleidsaanbevelingen ontbreken. Naast de nood aan verder onderzoek noemen verschillende studies wel enkele aandachtspunten.
Een groot deel van het Vlaamse onderzoek benadrukt het belang van (sociale)mediawijsheid en de rol van beleidsmakers bij het ontwikkelen en implementeren van mediawijsheidprogramma’s. Deze programma’s moeten verder gaan dan enkel de cognitieve component en ook inzetten op de affectieve pijler. Onderzoek wijst erop dat de affectieve component van socialemediawijsheid potentieel heeft om positivity bias-effecten te verminderen. Dit impliceert dat interventies niet alleen kennisoverdracht moeten omvatten, maar ook de ontwikkeling van emotieregulatievaardigheden.
Scholen, ouders en andere professionals kunnen een sleutelrol spelen in de uitvoering van deze mediawijsheidprogramma’s. Jongeren geven zelf aan dat de school een geschikte omgeving is om mediawijsheid te bevorderen. Leerkrachten kunnen, mits de juiste houding en vaardigheden, deze taak op zich nemen. Indien nodig kunnen experten deze rol vervullen.
Hoewel sommige onderzoekers terughoudend zijn en pleiten voor meer onderzoek alvorens beleidsaanbevelingen te doen. Ze stellen onder meer de vraag of de huidige regelgeving rond advertenties kinderen voldoende beschermt, gezien hun kwetsbaarheid. Op sociale media kunnen kinderen commerciële boodschappen vaak moeilijker herkennen, wat de noodzaak van duidelijke afspraken voor influencers en content creators benadrukt. Specifieke aandacht gaat ook naar de promotie van ongezonde voeding op sociale media, waarbij onderzoekers aandringen op strengere regulering van dergelijke marketinguitingen.
Daarnaast worden twee kwetsbare groepen geïdentificeerd die extra bescherming verdienen. Enerzijds zijn er minder vaardige gebruikers, die behoefte hebben aan betere gegevensbescherming en ondersteuning bij privacymanagement. Anderzijds gaat het om personen met beperkte zelfregulatievaardigheden, voor wie het recht op digitale disconnectie moet worden gewaarborgd.
Een studie benadrukt expliciet dat het verbieden van sociale media voor kinderen onwenselijk is, omdat dit hen zou beroven van een belangrijke bron van interactie met leeftijdsgenoten.
Een bijkomend perspectief komt uit de studie Wat Vlaamse experts zeggen over digitaal ontkoppelen en welzijn, waarbij aandacht wordt gegeven aan het perspectief van experten die instaan voor het digitaal disconnectie beleid in gezinnen, organisaties en scholen. Deze experten wijzen op de moeilijke balans tussen autonomie en regelgeving: beleidsmaatregelen moeten iedereen in staat stellen tot digitale disconnectie, zonder dat deze de individuele beslissingsruimte buitensporig beperken. Momenteel ligt de verantwoordelijkheid vaak bij het individu, wat niet altijd effectief of haalbaar blijkt. Daarom pleiten experts voor meer verantwoordelijkheid bij technologiebedrijven.
Verschillende studies benadrukken het cruciale belang van ouders in het begeleiden van het mediagedrag van kinderen en jongeren. Ouders kunnen bijvoorbeeld specifieke regels instellen rond smartphonegebruik en hun kinderen bewust maken van de negatieve gevolgen van nachtelijk smartphonegebruik. Ook het actief praten met kinderen over de content die zij online tegenkomen en hen aanleren kritisch met deze informatie om te gaan, worden als effectieve strategieën genoemd. Verder blijkt dat ouderlijke warmte bijdraagt aan een positief lichaamsbeeld en zelfvertrouwen bij kinderen. Voor ouders is dit zeker niet evident, vandaar dat er ook nood is aan ondersteuning voor alle zorgverleners.
Enkele studies richten zich expliciet op de verantwoordelijkheid van de socialemediaplatformen zelf. Hierbij gaat het onder meer over de werking van algoritmes, de verslavende kenmerken van deze platforms en de criteria die bepalen welke content wordt toegelaten of geweerd.
Het recente Vlaamse mediaonderzoek toont aan dat de relatie tussen sociale media en het sociaal‑emotioneel welzijn van kinderen en jongeren complex en gelaagd is. De effecten zijn zelden eenduidig: ze variëren van positief tot negatief en worden sterk bepaald door individuele kenmerken en contextuele factoren. In de drie hoofdthema’s wordt de complexe invloed van sociale media steeds opnieuw duidelijk.
Binnen het eerste thema, de blootstelling aan sociale media‑inhouden, blijkt dat sommige jongeren gevoelig zijn voor bepaalde typen content, zoals geïdealiseerde beelden, gezondheidsboodschappen, alcoholgerelateerde posts en advertenties. Deze inhouden kunnen jongeren aanzetten tot bepaald gedrag of attitudes beïnvloeden, zowel positief als negatief. Body Positivity-content is hiervan een voorbeeld: ze doet jongeren kritischer naar hun eigen lichaam, maar kan op korte termijn een positiever lichaamsbeeld geven. Het is belangrijk om op te merken dat niet alle effecten voor iedereen gelden, zoals onderzoek aantoont dat sommige jongeren meer geneigd zijn om politieke influencers te volgen dan anderen.
In het tweede thema kwamen verschillende vormen van regulering van socialemediagebruik aan bod. Digitale disconnectie krijgt veel aandacht als strategie om (sociale)mediagebruik in te perken, al blijken de effecten van socialemediapauzes eerder beperkt. Binnen gezinnen spelen ouders een belangrijke rol in het begeleiden van jongeren, vooral via actieve bemiddeling en het creëren van een open gesprekscultuur. Technoference toont echter dat ook het mediagebruik van kinderen en ouders een impact heeft op de gezinsdynamiek.
Het derde thema verzamelde inzichten rond (sociale)mediagedrag en -gebruik. De studies binnen dit thema benadrukken dat de manier waarop jongeren sociale media gebruiken belangrijker is dan de hoeveelheid tijd die ze online doorbrengen. Daarom wordt gekeken naar platformspecifieke functies, bredere gebruikspatronen of gedragsrisico’s zoals sexting. Daarnaast komt smartphonegebruik aan bod: problematisch smartphonegebruik hangt samen met tal van negatieve gevolgen en toch wijzen jongeren op de voordelen van het toestel. Dit bevestigt dat schermtijd te beperkt is om het effect van smartphones of sociale media te meten.
Hoewel de recente literatuur weinig expliciete beleidsaanbevelingen bevat, wijzen de bevindingen in dezelfde richting: affectieve en cognitieve (sociale) mediawijsheid, wetgeving en regulering, ouderlijk toezicht en verantwoordelijkheid van platformen. De onderzoekers benadrukken daarnaast ook de nood aan verder onderzoek om beter te begrijpen wie kwetsbaar is en wat de gevolgen zijn voor deze individuen.
Dit media.dossier geeft een overzicht van recent Vlaams mediaonderzoek over de associatie tussen sociale media en sociaal-emotioneel welzijn bij jongeren. We baseren ons op alle wetenschappelijke peer-reviewed publicaties die rond dit thema verschenen zijn tussen 2022 en (midden) 2025, waarvan minstens één auteur verbonden is aan een van de communicatiewetenschappelijke onderzoeksgroepen van de vijf Vlaamse universiteiten (KU Leuven, UAntwerpen, UHasselt, UGent, VUB). De meeste van de geselecteerde publicaties zijn afkomstig van drie onderzoeksgroepen: imec-mict (UGent), het Media Psychology Lab (KULeuven) en MIOS (UAntwerpen). In totaal werden 76 studies geselecteerd en opgenomen in dit rapport. Voor elke studie stelden we een onderzoeksfiche op waarin de kerninzichten, methode, conclusies en eventuele aanbevelingen worden samengevat. In dit dossier geven we een korte synthese van de kennis die kan worden gehaald uit deze wetenschappelijke literatuur.
Het feit dat het om Vlaams mediaonderzoek gaat, betekent niet dat alle studies uitsluitend uitgevoerd zijn bij Vlaamse kinderen en jongeren. Vlaamse onderzoeksgroepen spelen een prominente rol in het internationale onderzoeksveld rond sociale media. Daardoor zijn sommige studies uitgevoerd in samenwerking met buitenlandse universiteiten en is niet elk onderzoek exclusief gebaseerd op Vlaamse respondenten of de Vlaamse context.
Hou de vinger aan de pols rond mediaonderzoek via de updates van Mediapunt.
Ontdek onze publicaties met nieuw onderzoek, artikels waarin we dieper in data duiken, aankondingen van interessante events en actualiteitsgerelateerde opiniestukken.